
Het OV kan sneller vooruit als we meerdere sporen volgen
Waarom kennisuitwisseling tussen trein, tram en metro leidt tot betere oplossingen
Nederland staat voor een enorme OV-opgave. Spoorlijnen, stations, metroverbindingen en energievoorzieningen moeten worden vernieuwd. Tegelijkertijd groeit de vraag naar openbaar vervoer. Reizigers verwachten terecht dat trein, tram en metro betrouwbaar blijven rijden, terwijl infrabeheerders steeds vaker moeten vernieuwen onder tijdsdruk, met beperkte middelen en in een omgeving die nooit stilstaat.
Volgens John Jansson, divisiedirecteur infrastructure and mobility, en Wouter van der Helm business unit manager rail & stations, kan de sector die opgave niet oplossen door alleen binnen de grenzen van de eigen organisaties te blijven kijken. Hun stelling is helder: het OV kan sneller vooruit als we meerdere sporen volgen. Niet alleen letterlijk, maar ook in de manier waarop we kennis ontwikkelen en delen. Wie actief leert van andere railwerelden, ontdekt vaak betere oplossingen voor zijn eigen vraagstukken.
Verschillende netwerken, dezelfde uitdagingen
Op het eerste gezicht lijken de werelden van tram, metro en trein ver uit elkaar te liggen. De één opereert midden in een drukke stad zoals GVB in Amsterdam. De ander, ProRail, beheert een landelijk spoornetwerk.

Toch kampen ze met vergelijkbare uitdagingen op het spoor. Alleen de schaal verschilt. Uiteindelijk draait het om dezelfde vraag: hoe houd je het vervoerssysteem veilig en betrouwbaar terwijl je tegelijkertijd vernieuwt?
Wouter van der Helm, business unit manager rail & stations bij Sweco
De kracht van kruisbestuiving
Meerdere sporen volgen klinkt misschien abstract, maar in de praktijk betekent het dat inzichten uit de ene railwereld kunnen bijdragen aan oplossingen in de andere. De vernieuwing van 44 gelijkrichterstations voor tram en metro in Amsterdam, een project waarbij Sweco samenwerkt met GVB en VolkerRail, is een goed voorbeeld van kruisbestuiving.
Voor reizigers zijn gelijkrichterstations vrijwel onzichtbaar. Maar ze vormen wel de ruggengraat van de energievoorziening van tram en metro. Zonder deze installaties rijden metro’s en trams niet. Door het hele areaal te vernieuwen, houdt GVB het netwerk betrouwbaar en klaar voor groei van het openbaar vervoer in Amsterdam.
Juist de omvang van deze opgave maakt het project bijzonder volgens Wouter: “Voor een assetbeheerder is dit eigenlijk een droomscenario. Je vernieuwt niet één object, maar een volledig areaal. Daardoor kunnen we standaardiseren, optimaliseren en van iedere volgende vervanging leren. De lessen die we hier opdoen over seriematig vernieuwen nemen we mee naar andere railopgaven.”
Betere oplossingen beginnen met andere perspectieven
Wie jarenlang binnen dezelfde organisatie werkt, neemt vanzelf ook diens manier van denken over. Dat maakt organisaties efficiënt, maar kan er ook toe leiden dat bestaande werkwijzen minder snel ter discussie worden gesteld. Wie aan verschillende soorten railopgaven werkt, ziet juist andere afwegingen, processen en oplossingen voor vergelijkbare problemen. Daardoor ontstaan vragen als: Waarom doen we dit eigenlijk zo? Kan het ook anders? En wat kunnen we leren van een andere railomgeving?
“Dan ontdek je dat dezelfde opgave op meerdere manieren kan worden aangepakt.” vertelt John. “Niet omdat één aanpak beter is dan de andere, maar omdat je meer perspectieven hebt om de juiste keuze te maken.”
Praktijkvoorbeeld: lessen van ProRail naar GVB
Erik ter Brake, projectmanager Rail bij Sweco, werkt in opdracht van VolkerRail aan de vervanging van de 44 gelijkrichterstations van GVB. Vanuit een eerder ProRail-project aan de Havenspoorlijn neemt hij inzichten mee op het gebied van duurzaamheid.
“Bij die opgave hebben we duurzaamheidsmaatregelen toegepast bij zowel een volledig nieuw gebouw als bij het hergebruik van een bestaand gebouw. Die ervaringen benutten we nu binnen de GVB-opgave. Een mooi voorbeeld is de toepassing van een demontabele gevel bij een metrolocatie. Dat maakt de bouwfasering eenvoudiger en zorgt ervoor dat GVB onderhoud straks met zo min mogelijk materiaalverlies en bouwkundige werkzaamheden kan uitvoeren.”
De kennisuitwisseling werkt volgens Erik bovendien twee kanten op: “Ik ben ook enorm nieuwsgierig naar wat we vanuit de tram- en metropraktijk van GVB leren. Die inzichten kunnen we vervolgens weer toepassen in projecten voor ProRail.
De energietransitie maakt samenwerking nog belangrijker
Dat geldt zeker voor vraagstukken rond energie. Alle OV-organisaties en infrabeheerders staan voor de uitdaging om hun infrastructuur te verduurzamen en tegelijkertijd om te gaan met een steeds voller elektriciteitsnet.
Hierbij spelen uiteenlopende vraagstukken rond energievoorziening. Van het terugwinnen van remenergie en toekomstbestendig maken van bestaande assets tot duurzame energieopwekking op spoorgebonden locaties zoals taluds, geluidswanden en bermen. Dit vraagt om nieuwe keuzes en afspraken van opdrachtgevers, netbeheerders, aannemers en andere partijen in de hele keten.
“Neem alleen al de elektrificering van onderhoudsvoertuigen en gereedschappen. Wat moet je als opdrachtgever zelf faciliteren? Wat leg je neer bij de aannemer? En welke voorzieningen zijn nodig van netbeheerders en andere partijen? De context en schaal verschillen per project, maar juist bij dit soort vraagstukken heeft de sector baat bij kennisuitwisseling.” vertelt Wouter.
Uiteindelijk merkt de reiziger het verschil
Voor reizigers blijft veel van dit werk onzichtbaar. Niemand stapt ’s ochtends in de trein of metro en denkt na over een onderstation, assetmanagementstrategie of vervangingsprogramma. Reizigers willen vooral dat hun verbinding beschikbaar, veilig en betrouwbaar is. Juist daarom is kennisuitwisseling zo belangrijk.

Er valt nog behoorlijk wat winst te halen uit ketensamenwerking. Door ervaringen uit verschillende railwerelden beter te benutten, hoeven organisaties minder vaak hetzelfde wiel uit te vinden en komen betere oplossingen sneller beschikbaar. Uiteindelijk profiteert niet alleen de reiziger daarvan, maar ook de maatschappij die afhankelijk is van een toekomstbestendig openbaar vervoerssysteem.
John Jansson, divisiedirecteur infrastructure and mobility



